Het paard van Sinterklaas
Let op: de Fed komt in actie. Helikopter Ben (de bijnaam van de voorzitter van de Amerikaanse centrale bank, Ben Bernanke) heeft al het vliegend materieel gevorderd om een nieuwe lading dollarbiljetten over het Amerikaanse volk uit te strooien. Deze actie wordt ook wel aangeduid met de afkorting QE2, quantitative easing 2, ofwel monetaire verruiming, deel 2.
Het voornaamste onderdeel van de operatie vormt de inkoop van obligaties door de Fed. Die bereikt hiermee twee effecten. Door obligaties op te kopen stijgen de koersen, waardoor de rente laag blijft. Daarnaast zet de Fed obligaties om in geld. Een bezitter van geld heeft twee keuzes: uitgeven of sparen. Wie obligaties koopt, zet zijn geld om in een spaarproduct, want obligaties geven rente. Spaargeld wordt niet uitgegeven en komt dus niet in de economie terecht. Met het opkoopprogramma draait de FED die transacties terug. Ergens komt de opbrengst van de obligatieaankopen weer terug op de rekeningen van de bezitters. Dit alles in de hoop dat de consument, nog steeds voor tweederde verantwoordelijk als aanjager van de economie, het geld gaat uitgeven. Maar hier zit de crux.
Als de Amerikaanse consument zijn dollars in de knip of onder het matras houdt, kun je dollars drukken en uitstrooien wat je wilt, maar het geld komt dan niet terecht waar het volgens de FED hoort: in de economie.
Paard drinkt niet
We hebben het al vaker gezegd. Je kunt een paard naar de rivier leiden maar het niet dwingen om te drinken. Als de consument niet wil, dan lijkt FED voorzitter Bernanke eerder op een Sinterklaas die gedesillusioneerd zijn schimmel Amerigo (nomen est omen) naar de schoentjes van de kinderen probeert te trekken. Die kinderen geloven echter niet in hem en weten dat het chocoladegeld in hun schoen net zo vals is als de belofte dat de economische groei snel zal terugkeren.
Ze kunnen best eens gelijk hebben met hun ongeloof. Volgens de berekening van het Amerikaanse bureau voor Economisch Research is de ergste economische terugval sinds de Tweede Wereldoorlog ten einde. Deze recessie, die in december 2007 begon, duurde 18 maanden. Dat is lang, maar niet dramatisch lang. Slechts twee maanden langer dan twee andere perioden van economische krimp met een duur van 16 maanden, namelijk die van 1973-1975 en 1981-1982. De 2007-2009 daling was pijnlijk, maar dus niet bijzonder vanuit historisch perspectief.
Zwak herstel
Maar wat vanuit historisch perspectief deze periode wel verschillend maakt, is de relatieve zwakte van het economische herstel. Het herstel in 1983 was krachtig met een groei van de economie met 4,5% in 1983, 7,2% in 1984 en 4,1% in 1985, om ook de rest van de jaren tachtig gestaag door te groeien. Dit is precies het type herstel dat je nu zou verwachten na een diepe recessie als deze, er van uitgaand dat hoe dieper het dal, des te sterker het herstel.

Maar dit keer staan de zaken er anders voor. Ondanks een herstel van een jaar tot aan juni 2010 staat het bruto nationaal product (zeg maar, wat de V.S. in een jaar produceert) nog steeds onder de top van het vierde kwartaal 2007. Het plaatje brengt dat ook duidelijk in beeld. Deze periode van trage groei kenmerkt zich door een haperende banenmotor, achterblijvende investeringen en een algemeen gevoel van onbehagen. De Amerikaanse overheid heeft de economie overspoeld met dollars, vrijwel onbeperkte garanties afgegeven op leningen en hypotheken, een belastingvrijstelling van $8.000 op de aankoop van een huis en ‘geld voor een autowrak’.
Inflatie
Er loert daarnaast nog een gevaar om de hoek. Als het geld op enig moment toch gebruikt wordt om goederen mee te kopen, leidt dit tot stijgende prijzen. Inflatie. Momenteel ligt de inflatie zelfs onder het gewenste niveau dat de Fed als gezond beschouwd, tussen de 1,7% en 2,0%. Men is eerder beducht voor deflatie, en daar is de Fed als de dood voor. Alles is beter dan deflatie, dan nog liever inflatie. Is die angst terecht?
In een ingezonden brief in het FD slaan de schrijvers Sylvester Eijffinger en Edin Mujagic de spijker op hun kop met hun analyse van de oplossingen die de V.S. en Europa kiezen. Zij formuleren dat als volgt:
‘Ondertussen zijn de centrale banken echter bij een splitsing van wegen aangekomen. Eén weg leidt in de richting van nog meer monetair stimuleren in de hoop dat die economieën daardoor niet in een tweede recessie zullen vervallen en daarna weer voldoende zullen groeien. De tweede weg voert naar geleidelijke afroming van de aanwezige overliquiditeit en naar normalisering van het monetaire beleid.’
Met als constatering:
‘Het Amerikaanse Federal Reserve System neigt ertoe de eerste route te nemen. De Europese Centrale Bank kiest voor de tweede weg.’
Om te concluderen:
‘Aangezien de inflatiecrisis over enkele jaren onvermijdelijk volgt, zal de wereld opnieuw een periode van stagflatie als in de jaren zeventig van de vorige eeuw gaan beleven, met tegelijk lage economische groei, oplopende werkloosheid en stijgende inflatie.’
Beleggen in obligaties
Als dit niet ondenkbare scenario van stijgende inflatie werkelijkheid wordt, dan krijgen we te maken met een stijgende rente en zullen we onze portefeuille hierop moeten gaan inrichten. Hoe kan een belegger in obligaties hier het beste op inspelen? In de vastrentende wereld zijn er producten die meeliften op hogere rentes. Veel perpetuals gaan na een eerste, rentevaste periode, meefluctueren op een vooraf bepaalde marktrente, met daarbovenop een vaste opslag. De opslag kan enkele basispunten zijn (honderdsten van een procent) tot procenten aan toe. De coupon op deze producten wordt elk kwartaal opnieuw vastgesteld. In het kort komt het er op neer dat u feitelijk driemaands papier in portefeuille heeft, dat een hogere vergoeding geeft dan een spaarrekening. En ofschoon dat voorlopig nog niet aan de orde is: mocht de rente gaan stijgen, dan lift u automatisch mee met die hogere rente, plus de vaste opslag.
Er is materiaal genoeg voorhanden. Let u bij de selectie allereerst op de kwaliteit van de debiteur (betalen ze wel?), dan op de opslag boven op de gekozen marktrente (uiteraard hoe hoger, hoe beter), vervolgens op de mogelijkheid tot callbaarheid (dus vervroegde aflossing, na de rentevaste periode meestal op kwartaalbasis), en tenslotte op de prijs (het liefst niet boven de 100%, in verband met de kans op een call) – in die volgorde.
Gouden tijden
Het record na record dat het goud de laatste tijd boekt, is regelmatig goed voor extra aandacht in de pers. Toch past hier een relativering. De indrukwekkende opmars van het goud vindt voornamelijk plaats in dollars. Daar heb je als Europeaan weinig aan, want een blik op de onderstaande grafiek laat zien dat de stijging in euro’s niet bijzonder is. Niet de stijging van het goud zou opzien moeten baren, maar de zwakte van de dollar. En hoe dat komt, heeft u zojuist kunnen lezen.

|